Vragen over het niet verlengen van de verlaagde belastingrente

Het kabinet heeft aangekondigd dat de verlaging van de belastingrente naar 0,01% niet verlengd wordt. Dat betekent dat deze vanaf 1 oktober 4% zal zijn. De verlaging van de belastingrente was een van de maatregelen om ondernemers tegemoet te komen in de coronacrisis. De verlaging van de invorderingsrente (naar 0,01% ) wordt wel verlengd.

 

In deze nieuwe situatie met twee verschillende tarieven lijkt een rechtsongelijkheid te ontstaan. Economisch gezien zijn de beide situaties vergelijkbaar. Maar de ene ondernemer (die geen voorlopige aanslag heeft gehad en geen uitstel van belasting heeft gevraagd) krijgt met een hoger tarief te maken dan een ondernemer die dat wel heeft gedaan.

 

Daarnaast hebben ondernemers te weinig tijd gekregen om vooruitlopend op de aangekondigde verhoging van de belastingrente een voorlopige aanslag te vragen zodat ze nog tegen het verlaagde tarief kunnen afrekenen. Verschillende ondernemers en deskundigen hebben mij hierover benaderd want de verhoging van de rente kan flink in de papieren lopen. Dat is zuur zeker omdat het in de bij mij bekende voorbeelden niet verwijtbaar zijn. Hieronder mijn vragen:

 

Schriftelijke vragen van het lid Lodders (VVD) aan de staatssecretaris van financiën (Belastingdienst en Fiscaliteiten) over het besluit rond de belastingrente en de invorderingsrente onderdeel van de coronamaatregelen.

1.       Klopt het dat u op 28 augustus 2020 bekend heeft gemaakt dat de maatregel ‘verlaging belastingrente’ niet verder wordt verlengd en dat vanaf 1 oktober 2020 een belastingrente van 4% gaat gelden[1]? 

2.       Bent u bekend met het effect dat met deze maatregel voor een ondernemer die eerder dit jaar een voorlopige aanslag heeft ontvangen en uitstel van betaling heeft gevraagd en gekregen (voor de duur van het uitstel) van een  (invorderings)rente van 0,01% geniet, terwijl een ondernemer die nog geen (juiste) voorlopige aanslag heeft ontvangen vanaf 1 oktober 2020 een (belasting)rente  van 4% verschuldigd wordt?

 

3.       Deelt u de mening dat het nog niet hebben ontvangen van een voorlopige aanslag diverse redenen kan hebben (historie van de onderneming nog niet bekend in de systemen van de Belastingdienst, afwijkend inkomensniveau ten opzichte van voorgaande jaren, nog niet alle informatie voorhanden, gevolgen van corona) en daarmee niet verwijtbaar is?

 4.       Deelt u de mening  dat deze situaties, economisch gezien, vergelijkbaar zijn? Zo nee, kunt u dat toelichten?

5.       Kan het effect van deze maatregel leiden tot rechtsongelijkheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen?

6.       Wat vindt u van de situatie dat ondernemers door de aankondiging en de ingangsdatum van deze maatregel onvoldoende tijd hebben om tijdig een voorlopige aanslag aan te vragen zodat zij nog onder de tijdelijke maatregel van een belastingrente van 0,01% zouden kunnen vallen?

7.       Bent u bekend met de situatie dat een aantal ondernemers vanwege de gevolgen van corona en de eerder genomen coronamaatregelen (waaronder bijzonder uitstel van betaling) het aanvragen van een voorlopige aanslag (eenvoudshalve) heeft uitgesteld  in plaats van het aanvragen van een voorlopige aanslag en een uitstel van betaling? Zo ja, deelt u de mening dat deze ondernemers nu benadeeld worden met een hogere belastingrente (waarbij een rentevoet van 4% en een hoog bedrag flink in de papieren kan lopen met consequenties voor de liquiditeit van de onderneming)?

8.       Heeft u overwogen om ook de belastingrente tot 1 januari 2021 op 0,01% vast te stellen zodat ondernemers die (nog) geen gebruik hebben hoeven te maken van een formeel uitstel van betaling tegen een zelfde rentepercentage belast worden als ondernemers die wel uitstel van betaling hebben gevraagd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was de afweging om toch een andere keuze te maken?