Vragen over een te hoge WOZ bepaling voor VvE-leden

In maart 2019 heb ik al aandacht gevraagd voor de situatie van mensen binnen de Vereniging van Eigenaren (VvE). Iedereen die een appartement koopt wordt lid van de VvE van het appartementencomplex. De VvE is een vereniging die verantwoordelijk is voor het onderhoud van het hele gebouw en zich vooral bezighoudt met het beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke delen van een complex als de gevel, het dak of de entreehal. Om dit te kunnen bekostigen betalen alle VvE leden een bepaald bedrag per jaar. Vanuit dit VvE reservepotje wordt het onderhoud betaald.

 

Net als andere huiseigenaren betalen ook eigenaren van appartementen Onroerendezaakbelasting (OZB). De gemeente taxeert het huis en op basis daarvan wordt de Waardering Onroerende Zaken (WOZ) waarde berekent. Hierover wordt OZB betaald.

  

Uit onderzoek blijkt echter dat veel gemeenten in de waardebepaling van appartementen ook de VvE-reserve meenemen. De waardebepaling van een appartement wordt hierdoor hoger, net als het bedrag wat appartementeigenaren betalen aan OZB. Al eerder heeft de minister van Binnenlandse Zaken in antwoord op mijn vragen aangegeven dat alle gemeenten op een ‘uniforme wijze’ de WOZ waarde van appartementen moet corrigeren voor de VvE-reserve.

 

Samen met collega Koerhuis heb ik de staatssecretaris van Financiën (Fiscaliteit en Belastingdienst) en de minister van Milieu en Wonen vragen gesteld. Alle appartementeigenaren hebben recht op duidelijkheid over de manier waarop hun gemeente de waarde bepaald van het complex. Daarnaast moeten de staatssecretaris en minister voorkomen dat er in de toekomst een te hoge waardebepaling op basis van de VvE-reserve wordt meegenomen. Zie hieronder de vragen:

   

Schriftelijke vragen van de leden Lodders en Koerhuis (beide VVD) aan de staatssecretaris van Financien (Fiscaliteit en Belastingdienst) en de minister van Milieu en Wonen over het bericht ‘Te hoge belasting omdat gemeente VvE- reserve meerekent in WOZ bepaling’.

 

  1. Bent u bekend met het artikel: ‘Te hoge belasting omdat gemeente VvE- reserve meerekent in WOZ bepaling’[1]?

  2. Herinnert u de schriftelijke vragen van de leden Lodders en Koerhuis onder nummer    2019D20496?

  3. Herinnert u zich dat u vorig jaar aangaf dat het niet klopt dat gemeenten verschillend handelen in de waardebepaling van een wooncomplex (Kamerstuk 2019D20496)?

  4. Wat vindt u van het signaal dat het probleem van gemeenten die de VvE-reserve meerekenen in de WOZ-bepaling ‘omvangrijk’ is? En hoe verklaart u dit in relatie tot uw antwoord op vragen van de leden Lodders en Koerhuis (Kamerstuk 2019D20496); ‘….alle gemeenten op een uniforme wijze bij de WOZ-marktanalyse (moeten) ‘corrigeren’ voor het bedrag dat is betaald voor een eventuele bovenmatige reserve van de VvE’?

  5. Komt het aantal tekortkomingen geconstateerd door de Waarderingskamer overeen met het ‘omvangrijke’ probleem? Zo ja, om hoeveel tekortkomingen gaat het en wanneer is dit geconstateerd? Zo nee, hoe kan het zijn dat er een substantieel verschil is tussen praktijkervaring en de controle door de Waarderingskamer?

  6. Deelt u de mening dat het op verkeerde gronden bepalen van de WOZ waarde zeer onwenselijk is omdat de WOZ waarde niet alleen voor de gemeentelijke OZB belasting wordt gebruikt maar ook voor bijvoorbeeld de waterschapheffing en dit dus leidt tot te hoge belastingaanslag?

  7. Hoe gaat u er voor zorgdragen dat de waardebepaling op juiste gronden plaatsvindt en de controle hierop versterkt wordt?

  8. Wat vindt u van het feit dat veel gemeenten bezwaar tegen de verhoogde WOZ-waarde afwijzen, ondanks dat duidelijk is dat die significant hoger is door het meerekenen van de VvE-reserve?

  9. Deelt u de mening dat er voor alle mensen die verenigd zijn in een VvE duidelijkheid moet komen over de waardebepaling van het complex zonder dat de VvE’s hiervoor bezwaarprocedures moeten starten? Zo nee, waarom niet? 

  10. Welke stappen gaat u ondernemen om een te hoge waardebepaling op basis van het vermogen van een VvE te voorkomen?

  11. Bent u bereid om de Kamer voor de zomer te informeren over de te nemen stappen? Zo nee, waarom niet?